FOTO: © Pexels – Isaac Taylor
Sinds de Koude Oorlog is er in Nederland nog nooit zoveel aandacht geweest voor grootschalige crises of rampen als de afgelopen jaren. In Nederland is er weinig of geen ervaring met zo’n situatie. De grootschalige stroomuitval in heel Spanje en Portugal van afgelopen zomer is daarom een praktijkvoorbeeld waaruit veel te leren valt.
Deze stroomcrisis ontstond tijdens het middaguur en zorgde voor een sterke ontregeling van het dagelijks leven van mensen. Liften bleven hangen, trams, metro’s en treinen vielen stil tussen de stations en de communicatie was van het ene op het andere moment een probleem. Kort na de stroomuitval viel de internetverbinding via wifi weg; enkele uren later raakten ook de mobiele netwerken en het telefoonverkeer zwaar ontregeld.
Paniek bleef uit
Janne Landsman, onderzoeker bij het NIPV, en Lorena Joosten, beleidsadviseur crisisbeheersing bij Veiligheidsregio Kennemerland, hebben de afgelopen maanden met interviews, een enquête en bronnen- en documentonderzoek de gevolgen van de grootschalige stroomuitval in kaart gebracht. “Mensen gaven aan dat ze om zich heen weinig paniek hebben ervaren. Ze hebben zich wel zorgen gemaakt, minder over zichzelf, vooral over anderen”, vertelt Janne. “Van plundering is echt geen sprake geweest.” Op basis van die bevinding stelt ze dat crisisprofessionals zich niet te veel moeten richten op de aspecten paniek en plundering, in de eerste uren van een crisis. “Als je dat doet, moet je veel investeren in veiligheidsmaatregelen maar ook in capaciteit van de hulpdiensten en politie, terwijl de kans daarop in de eerste dagen waarschijnlijk heel erg klein is.” Janne geeft aan dat de aandacht beter kan liggen bij het faciliteren van burgerinitiatieven en het in kaart brengen en ondersteunen van mensen die minder zelfredzaam zijn.
‘Je hebt een vrijwilligersbestand, maar er komen uiteindelijk minder mensen opdagen dan je verwacht.’
De grote veerkracht en zelfredzaamheid van de bevolking is namelijk een tweede belangrijke constatering uit het onderzoek. “Je kunt dat als overheid versterken”, vertelt Lorena. “Dat gebeurt al met het advies om een noodpakket samen te stellen voor thuis, maar dat kan ook op buurtniveau gebeuren. Het is ook belangrijk dat mensen elkaar weten te vinden. Je moet dus als overheid die burgerinitiatieven faciliteren, maar niet overnemen.”
Noodsteunpunt als spil
Een van de initiatieven in dat kader is de ontwikkeling van een netwerk van noodsteunpunten. Daar kunnen burgers in de toekomst terecht voor informatie en hulp, maar mogelijk ook voor het opzetten en coördineren van burgerinitiatieven. De noodsteunpunten staan via overkoepelende coördinatiepunten met elkaar en met de veiligheidsregio’s in contact.
De inzet van vrijwilligers, bijvoorbeeld op een steunpunt, maar ook de beschikbaarheid van hulpdiensten tijdens een stroomuitval, is een belangrijk aandachtspunt, zo blijkt uit de evaluatie. “Je hebt een vrijwilligersbestand, maar er komen uiteindelijk minder mensen opdagen dan je verwacht. Iedereen gaat toch eerst kijken hoe de veiligheidssituatie thuis is. Is er bijvoorbeeld kinderopvang te regelen of heeft een ouder familielid hulp nodig?” Vrijwilligers en zorgprofessionals krijgen ook te maken met logistieke problemen, bijvoorbeeld door verkeersopstoppingen, of doordat na een paar dagen de autobrandstof opraakt. De pompen van een tankstation werken namelijk op elektriciteit, dus die vallen bij een stroomstoring al snel stil. Een heel nieuw probleem is de elektrificatie van het wagenpark. Auto’s die rijden op fossiele brandstoffen kunnen met noodtanks nog wel enkele dagen vooruit, maar voldoende elektriciteit opslaan voor een auto is ondoenlijk.



